6. LP All Things Must Pass

BFNL BFNL Columns, CAN YOU TAKE ME BACK?

Tracklisting: I’d Have You Anytime; My Sweet Lord; Wah-Wah; Isn’t It A Pity [version 1]; What Is Life; If Not For You; Behind That Locked Door; Let It Down; Run Of The Mill; Beware Of Darkness; Apple Scruffs; Ballad Of Sir Frankie Crisp (Let It Roll); Awaiting On You All; All Things Must Pass; I Dig Love; Art Of Dying; Isn’t It A Pity [version 2]; Hear Me Lord; Out Of The Blue; It’s Johnny’s Birthday; Plug Me In; I Remember Jeep; Thanks For The Pepperoni.

1970 strompelde naar haar einde. Het weer was omgeslagen. Herfstbladeren vulden de straten. Het werd tijd voor de Apple Scruffs om de balans op te maken. Wat was er veel gebeurd! In de eerste plaats de big bang: de break-up in april. Totale duisternis. De zomer ging voorbij zonder nieuwe hits van de Fab Four (gelukkig wist Shirley Bassey de Engelsen nog te vermaken met haar top vijf versie van Something).

Maar los daarvan: het was oorlog tussen de heren, scheidslijnen werden getrokken. De altijd zo geroemde groepsdynamica tussen de bandleden leek voorgoed verbroken. De kaarsen waren opgebrand.

Midden in die wervelwind presenteerden Ringo en Paul in het voorjaar hun eerste solo albums Sentimental Journey en McCartney. John was hen al voorgegaan met zijn klassieke drieluikje: Give Peace A Chance, Cold Turkey en Instant Karma.

Een nieuw tijdperk diende zich aan. Een onoverzichtelijke (en dus verwarrende) situatie. De vraag die bij iedereen op de lippen hing was natuurlijk: wat ging George doen?

De stille Beatle was vanaf 1968 buitengewoon actief.

De stille Beatle was vanaf 1968 buitengewoon actief, in de kracht van zijn leven, maar dan vooral voor andere artiesten, zoals John Lennon, Ringo Starr, Jackie Lomax, Doris Troy, Billy Preston en de Radha Krishna Temple. De ideetjes rijpten als verse vruchten in zijn hoofd. Het smeulde. George was ongeduldig, hij wilde zijn doelen verwezenlijken.

Vanaf 26 mei 1970 werkte hij onafgebroken aan zijn eerste echte solo album. Uiteindelijk werd het een box, bestaande uit maar liefst drie platen, waarvan de eerste twee waren gevuld met 18 nieuwe songs. De derde schijf was in zijn geheel gereserveerd voor inwisselbare jams.

Maar dat was nog niet alles. De sessies leverden nog veel meer prachtig materiaal op waarvan het meeste werk nooit officieel is verschenen. Als complete songs denk ik aan Nowhere To Go, Going Down To Golders Green, Dehra Dunn en I Live For You.

Alleen de laatste song werd in 2001 uitgebracht als bonusmateriaal op een remaster van All Things Must Pass. Verder waren er nog niet uitgewerkte songs als Mother Divine, Cosmic Empire, Tell Me What Has Happened To You, Window Window en Everybody Nobody (dat werd herschreven tot The Ballad Of Sir Frankie Crisp). Tenslotte mag ik de demo van I Don’t Want To Do It niet vergeten en vroege versies van Beautiful Girl en When Every Song Is Sung (beide uitgebracht in 1976, de eerste voor George zelf, de tweede voor Ringo).

Wat een rijkdom! Ik heb nooit begrepen waarom deze songs niet werden geselecteerd voor de remasters uit respectievelijk 2001, 2010 en 2014. Af of niet af, daar gaat het niet om, de songs geven inzicht in George’s muzikale en persoonlijke ontwikkeling. Hopelijk komen ze ooit nog eens boven water in een volwaardige Harrison Anthology. Tot die tijd is het rondzwervend goud.

Veel songmateriaal was al uitgetest in de Beatlestijd. De titelsong All Things Must Pass bijvoorbeeld, een prachtige song, geïnspireerd door Harrisons Amerikaanse bezoek aan Bob Dylan en The Band eind 1968. Maar ook songs als Let It Down, Hear Me Lord en Isn’t It A Pity. Tijdens de Get Back/Let It Be sessies spreekt George de wens uit een eigen album op te nemen. Hij weigert zijn fatum als eeuwige derde te accepteren en ziet het avontuur al helemaal voor zich. Lennon (en Yoko met hem) vindt dat een uitstekend idee. Waarom ook niet? Ze hebben een eigen platenlabel dus alles is mogelijk. Even boos gedacht: misschien was Lennon wel blij met George’s voorstel omdat hij dan niet meer hoefde te werken aan zijn songs. Daar was hij nooit zo happig op. Daarnaast was hij zelf ook buiten de groep bezig met duizend-en-een projecten.

Lennon was niet echt geïnspireerd in die periode. En dat is interessant. De man die in de vroege jaren het opperhoofd was, alles regisseerde, liet nu alles zijn gangetje gaan. Hij had maar een hoofddoel en dat was Yoko Ono (en laten we de spirituele middelen niet vergeten). Misschien is het daarom dat je hem hoort worstelen met de niet alledaagse akkoordwisselingen van Let It Down. Zijn hoofd was er niet bij. Zonde, want het liedje is muzikaal absoluut inventiever (en vergt meer moeite) dan Don’t Let Me Down, Sun King, Dig A Pony of het nooit officieel uitgebrachte Watching Rainbows.

Ik krijg bijna medelijden met hem.

Tijdens diezelfde sessies in januari 1969 komt ineens een wonderschoon pareltje voorbij zeilen: het akoestische, door George gezongen Isn’t It A Pity. Hij doet zijn best om het melancholische liedje te promoten, hoe pijnlijk allemaal. George lijkt wel wanhopig (‘It could be any speed you want’, zegt hij, bijna bedelend, je hoort de twijfeling in zijn stem). Ik krijg bijna medelijden met hem. Steeds maar weer die knieval. Hoe vernederend moet dat zijn geweest. Een barrière die je nooit zult overwinnen.

Terug naar de song. Laten we eerlijk zijn: Isn’t It A Pity is onbetwist een van de mooiste bloemen van de januari 1969 sessies. George knalde bijna uit elkaar, hij stroomde over van inspiratie. Hij zegt tussen neus en lippen door tegen John dat hij Isn’t It A Pity drie jaar eerder ook al aan hem heeft laten horen. John (en in iets mindere mate Paul) zijn onverschillig, zij zwaaien met de scepter, zij laten het moment liggen. De rolverdeling is duidelijk. Maar het piept en kraakt. Nog even en er zal een bres in het bastion worden geslagen.

Met deze song en het knallende Art Of Dying, een song over verlichting, karma en reïncarnatie, gaan de wortels van het All Things Must Pass album terug tot 1966. In de oerversie van laatstgenoemde heette Sister Mary nog Mr. Epstein. Dat nummer haalde het niet maar de song Love You To (dat staat op kant één van Revolver) lijkt qua tekst en zendingsgedachte wel een evenknie van Art Of Dying: A lifetime is so short; a new one can’t be bought; They (these people, R.R.) fill you in with all their sins, you’ll see; Love me while you can, before I’m a dead old man.

‘Are you still with me?’

Check het internet voor take 9 van de song want die is werkelijk adembenemend. George probeerde het liedje uit voor het Bangla Desh evenement maar het werkte niet. Tenslotte, Art Of Dying is niet alleen diepgaande filosofie, maar bevat ook humor en een vette knipoog. Na anderhalve minuut kijkt George de luisteraar onverwacht aan en vraagt: ‘Are you still with me?’

Zijn laatste strohalm. ‘Zijn jullie er nog?!!’

Het kompas van Harrisons muziektempel is duidelijk gericht op het oosten. Daarnaast kent het menu twee gezichten: enerzijds rustig en akoestisch (als levend in Nirvana), anderzijds alle-remmen-los: rock-out-loud (als worstelend in ons hectische bestaan). Die tweespalt wordt nergens mooier geïllustreerd dan op kant één. Eerst worden we in een soort heilige hypnose gebracht door de mooie grondtonen van I’d Have You Anytime, een dromerige song die Harrison in mei 1970 samen schreef met Bob Dylan. George vond dit nummer een passende opener vanwege de eerste (vragende) regel ‘Let me in here’. In 1982 parafraseerde hij dit in Wake Up My Love, de openings song van het album Gone Troppo: ‘Here I go again, hear that knocking, won’t you let me in.’

De stemming stijgt en we worden niet teleurgesteld. Na het veelbelovende begin tuimelen we achterover door de donderende gitaren van My Sweet Lord. Het vlaggenschip van de collectie werd een mega hit, die wereldwijd insloeg als een meteoriet. Zelfs de eeuwig kritische Lennon was onder de indruk: ‘I’m starting tot think there must be a God.’

George wilde het nummer eerst niet uitbrengen als single omdat het misschien te confronterend zou zijn (denk aan de sterke christelijke populatie in Amerika, toch de grootste muziekmarkt van de wereld). Wellicht speelde het tumult rond het album Yesterday… And Today uit 1966 hem nog parten. En, meer recentelijk, het niet draaien van Amerikaanse radiostations van de Beatles single The Ballad Of John And Yoko, vanwege de ‘crucify’ associatie met Jezus. Tricky business in the Southern states. Dat was ook de reden waarom de track het niet hoger schopte dan nummer acht op de charts: niet draaien betekende no chart.

Uiteindelijk ging George er gewoon voor. Uitgebracht in Amerika in november 1970 (vier weken nummer een en goudstatus) en in januari 1971 volgde Engeland (daar werd het de bestverkochte single van het jaar). Na George’s overlijden kwam daar in Engeland nog een weekje bij omdat de track binnenkwam op nummer één op 20 januari 2002.

He’s So Fine van The Chiffons.

Maar er ontstond al snel heisa rond het nummer. Sommige critici merkten op dat het nummer wel heel veel leek op een Amerikaanse nummer een hit uit het voorjaar van 1963: He’s So Fine van The Chiffons, een meidengroep uit Amerika. Lastig. De discussie over de muzikale authenticiteit liep uit op een vervelende rechtszaak, die in maart 1971 begon en jaren zou duren. Over dit zogenaamde plagiaatverhaal zijn boeken vol geschreven, dus beperk ik mij tot een persoonlijke visie.

George heeft altijd volgehouden dat zijn oer-inspiratie kwam van Oh Happy Day van de Edwin Hawkin Singers. Oh Happy Day was een bewerking van een eeuwenoud nummer dat in 1967 door Edwin Hawkin in een nieuw (gospel)jasje werd gehesen. In 1969 werd de track een wereldwijde hit. George kende de song, natuurlijk, wie niet? De hele wereld swingde mee met de opmerkelijke gospelklanken. Daar hoefde je de kranten niet voor op te slaan.

Maar laten we iets dieper graven. In 1969 en 1970 produceerde George het album Encouraging Words van Billy Preston (Billy’s tweede en laatste album op het Apple label). George schonk zijn nieuwe composities My Sweet Lord en All Things Must Pass, nog voor de songs op zijn eigen album verschenen. De achtergrondpartij op My Sweet Lord werd verzorgd door niemand minder dan de Edwin Hawkin Singers! Daar is de link tussen George en de gospelgroep.

Slaat de verwijzing naar He’s So Fine dan helemaal nergens op? Natuurlijk wel, de songs zijn muzikaal inwisselbaar, maar ik vermoed dat George in eerste instantie moet zijn geïnspireerd door Oh Happy Day en het elan van de Edwin Hawkin Singers.

Hij speelde het nummer drie keer live. Eerst bij de Bangla Desh concerten in 1971, vervolgens als toegift op zijn Noord-Amerikaanse toer in 1974 en tenslotte tijdens zijn one-off tour door Japan in december 1991. In 1974 trok George het nummer een gospeljasje aan. Het leek totaal niet op de single versie. Eigenlijk was het een oud jasje, want hij kopieerde het arrangement van Billy Preston uit 1970! Ik vermoed vanwege het plagiaat-verhaal. Op de remake van My Sweet Lord in 2001 (wat ik een hele mooie en vooral breekbare versie vind) eindigt het lied ook met een gospelsound.

En als we dan toch compleet willen zijn: eigenlijk speelde hij het lied vier keer. Op 26 december 1975 was George te zien op de BBC in het programma Rutland Weekend Television van Eric Idle. Niet alleen in sketches als Pirate Bob, maar ook in zijn Bangla Desh witte pak, terwijl hij verwachtingsvol opent met My Sweet Lord. Maar dan gaat de track ineens over in een piratenlied (‘I’d like to be a pirate, a pirate’s life for me, all my friends are pirates, as they sail the BBC’)!

Terug naar het album.

Na My Sweet Lord volgt Wah-Wah, een rammelende rock classic van de eerste orde. Wie na dertig seconden nog steeds geen kippenvel heeft moet voor straf een uur in de hoek staan. George speelde het nummer tijdens zijn Bangla Desh concerten en het bleek een uitstekende keuze. Hij schreef het liedje na het zoveelste akkefietje met Paul, John en Yoko: I don’t need no Wah-Wah. George verwijst uiteraard niet naar het gitaareffect maar naar de nevelen en beperkte situatie in zijn leven op dat moment. Hij voelde zich waardeloos en dat is voorstelbaar. Zoveel mooie songs in zijn rugzak (en waardering van zijn nieuwe Amerikaanse vrienden) maar geen enkele mogelijkheid om door te dringen tot zijn oude (school)vrienden John en Paul. Verveling en woede zijn funest voor elke creatieve geest en George was daar geen uitzondering op. Later zouden Lennon en McCartney George prijzen voor de hoge kwaliteit van zijn werk, maar begin 1969 was daar nog geen sprake van. Zelfs George Martin beaamde dit (tot zijn spijt).

George speelde Wah-Wah niet tijdens de Get Back/Let It Be sessies. Misschien vond hij het gênant. McCartney was natuurlijk ook niet achterlijk, dus hield George zijn nieuwste liedje maar voor zich. Of wellicht dacht hij: laat maar, alles gaat voorbij, ik bewaar het voor mijn eerste soloplaat.

Isn’t It A Pity is al eerder genoemd. Er staan twee uitvoeringen op de plaat. Op kant een horen we de alle-remmen-los zeven minuten kathedraal-versie van Phil Spector. Huiveringwekkend mooi. Er gaat iets eeuwigs van uit. Als een op muziek gezette psalm uit het Oude Testament. All credits to Phil. Op kant vier vinden we de spaarzame versie. Zeker niet minder mooi. Sterker nog, ik noem het altijd een early Beatles-take. Een absolute must voor het Let It Be album. Jammer dat John en Paul de schoonheid en rijkdom van Georges songs toen nog niet zagen.

Het nummer was eind 1970/begin 1971 ongekend populair. In Amerika werd het op single gekoppeld aan My Sweet Lord en de tracks waren even populair op de radio. De coda is verrassend. Langzaam maar zeker komt het na-na-na-na effect van Hey Jude uit de diepte omhoog. Niet boosaardig, absoluut niet, eerder galant en stijlvol. Kopieerde George hier McCartney? Dat is moeilijk te zeggen want Isn’t It A Pity stamt uit ‘66, dus twee jaren voor de geboorte van Hey Jude. Maar, eerlijk is eerlijk, Paul gebruikte (bijna) dezelfde akkoorden voor de coupletten van You Won’t See Me uit 1965 en op Lovely Rita uit 1967.

Onbegrijpelijk dat de song niet werd opgenomen op het verzamelalbum The Best Of George Harrison uit 1976 (US no 31). Maar, zoals dat hoort in een eind-goed-al-goed sprookje, uiteindelijk belandde de track op het album Let It Roll: Songs By George Harrison uit 2009 als koninklijke uitsmijter (UK no 4; US no 24).

Een goede keuze.

George schreef het spetterende What Is Life oorspronkelijk voor Billy Preston maar was uiteindelijk zo gecharmeerd van de song dat hij die zelf maar opnam. Een goede keuze want What Is Life geeft de nodige pit aan het album. In Amerika werd de song op 27 maart 1971 Georges tweede top tien hit. In 1972 scoorde Olivia Newton-John er ook nog een hitje mee in Engeland (UK no 16). What Is Life maakte deel uit van haar album Olivia (op datzelfde album ook een fantastische cover van Behind That Locked Door). Olivia scoorde in 1971 overigens ook een Engelse top tien hit (UK no 7) met de volgende song op ons menu: If Not For You.

If Not For You is een bonafide Bob Dylan cover. Het nummer klinkt vandaag de dag nog even fris als op de dag van release en biedt elke getroebleerde luisteraar gemoedsrust. George hoorde het nummer tijdens de New Morning sessies met Dylan in de zomer van 1970 en was meteen verkocht. Hij oefende de song met Dylan voor het Bangla Desh gebeuren maar helaas bleef het bij een rehearsal (gelukkig later wel uitgebracht in beeld en geluid). Tijdens het Bobfest op 16 oktober 1992 kwam het er wel van. George speelde If Not For You in een uitverkocht Madison Square Garden en zo was de cirkel rond.

Behind That Locked Door valt (voor mij) vooral op door de wonderschone pedal steel van Pete Drake. De beste man, waarover al meer is gezegd tijdens mijn bespreking van Ringo’s Beaucoups Of Blues, is op meer tracks aanwezig (All Things Must Pass, I Live For You, Ballad Of Sir Frankie Crisp), maar dit is echt griezelig mooi. Het country liedje is breekbaar als Venetiaans glas, werkelijk onaards. Een tranentrekker eerste klas. George schreef de song in 1969 als open brief met Dylan in gedachten, een tedere omhelzing, als aanmoediging voor de Amerikaanse bard, vlak voor zijn legendarische optreden op het Isle Of Wight festival in Engeland op 31 augustus 1969. Tijdens dat weekeinde waren Harrison, Lennon en Starr ook aanwezig. De geruchten over een mogelijke jam op het podium gonsden rond maar uiteindelijk gebeurde er niets.

Nadat de pedal steel is weggestorven, worden we opgeschrikt door de donderende gitaren van Let It Down. Wellicht het mooiste voorbeeld van het schizofrene karakter van het album. Geschreven in 1968, uitgeprobeerd tijdens de Beatles sessies in januari 1969, maar in die kille studio doodgebloed, mede door de totale desinteresse van John en Paul. De akoestische demo kreeg in 2001 een zeer aangename aanvulling op de All Things Must Pass re-release. Let It Down kenmerkt zich door een opmerkelijke combi van luid en zacht. Verstilde schoonheid in de coupletten en vervolgens – als onweer op een zomerse dag – alle remmen los in het refrein.

Eerlijke, soms pijnlijke woorden naar een vertroebelde werkelijkheid.

Iedereen heeft altijd een favoriete track. Die van mij is Run Of The Mill. De melodie is zo mooi, de begeleiding zo strak. Het is muziek uit een andere wereld. Vanaf het moment dat de blazers komen binnenvallen trekt er een siddering door mij heen. Ik ben verkocht. Natuurlijk is het een direct commentaar op zijn verhouding met The Beatles. Sleutelzin: ‘Another day for you to realize me, or send me down again’. Eerlijke, soms pijnlijke woorden naar een vertroebelde werkelijkheid. George was zo gecharmeerd van het loopje van de blazers aan het einde van het nummer dat hij het gebruikte als hoofdlijn voor zijn liedje Soft Touch uit 1979.

Beware Of Darkness is net als haar voorganger van een ongekende schoonheid. Het begint dreigend, in de diepte, bijna spookachtig maar ontplooit zich dan tot een perfecte popsong. Opnieuw Krishna-consciousness. Spiritualiteit boven materie. Harrison waarschuwt voor het aardse genot: kijk uit voor soft shoe shufflers, greedy leaders en falling swingers. Het lijkt een onmogelijke spagaat voor een popmuzikant, maar George weet het aardig te verwoorden. Niet als een onheilsmaniak maar als een positieve gast die meent wat hij zegt. Hij speelde het nummer acht maanden later samen met Leon Russell voor 20.000 man tijdens de Bangla Desh concerten en een betere keuze leek niet denkbaar.

Apple Scruffs is een ode aan al die fanatieke fans die (letterlijk) dag en nacht bij de huizen van de Beatles stonden te wachten of bij de Abbey Road opnamestudio, met bloemen, gedichten en smachtende blikken. Ze kwamen uit alle hoeken van de wereld en soms hadden ze succes. Paul had het goed geregeld: zijn schaapshond Martha werd vaak door diehard fans uitgelaten. Dat scheelde hem weer een loopje (daarnaast ging hij af en toe wat verder met groupies maar dat is weer een heel ander verhaal).

In 1978 zou McCartney ook een ode brengen aan die eeuwige fans (groupies) op de track Famous Groupies van het album London Town. Hoewel het een fantastische track is – ik zie en hoor mezelf nog in de kroeg met vrienden het laatste couplet uitbrallen -, zegt het niets over de sociaal-emotionele aard van de aanhangers. Het liedje is eerder een maniertje dan een daadwerkelijke ode. George doet dat zeker wel in deze track en dat is meer dan prijzenswaardig. Het nummer hobbelt en rammelt vrolijk voort (met voortreffelijke Beatles harmonieën) en geeft het album een vrolijke wending. George had veel moeite met de harmonica maar uiteindelijk kwam alles goed.

Ballad Of Sir Frankie Crisp (Let It Roll) is een gratis rondleiding door Friar Park en werd in 2009 verrassend opgenomen op Let It Roll: Songs By George Harrison (UK no 4, US no 24). Het is een mooie song met voetafdrukken naar The Beatles, een hypnotisch zwevend ritme en veel humoristische zinnetjes. Crisp was de oer-eigenaar van Friar park en verantwoordelijk voor alle kamers, kamertjes en kelders (120 in totaal!) en de bizarre tuinindeling (die varieert van grotten, een nep berg, tunnels tot een waterval – alles kunstmatig, uiteraard).

Awaiting On You All is een upbeat combinatie tussen pop en Krishna bewustzijn (Chanting the name of the Lord and you’ll be free). Check het begin: net een snelvuurkanon maar dan met muziek. Make love not war. Onweerstaanbaar.

Zware kost, absoluut, maar tegelijkertijd ook zeer genietbaar.

Behind That Locked Door is een open brief aan Dylan. Awaiting On You All is ook een open brief maar dan aan de wereld. Zo ben ik, zo wil ik zijn, en zo zouden jullie ook moeten zijn. Zware kost, absoluut, maar tegelijkertijd ook zeer genietbaar. Harrison speelde de track ook tijdens de concerten voor Bangla Desh. Een goede keuze. Er wordt voortreffelijk gemusiceerd en het publiek gaat uit zijn dak. Interessant is dat George niet alleen insinuaties (lees: een sneer) uitdeelt aan John en Yoko (‘You don’t need no love-in, you don’t need no bed pan’), maar hij neemt ook de paus op de korrel. Hij beschuldigt de hoofdman van de katholieke kerk ervan 51 procent van General Motors te bezitten. EMI vond deze regel te gedurfd en sloeg het over op het tekstvel.

George was sowieso geen fan van het katholicisme. Op de hoes van Living in The Material World (US no 1, UK no 2) parodieert hij het Laatste Avondmaal met zichzelf in de rol van opperpriester. Hij financierde Life Of Brian en schreef later het hilarische Vatican P2 Blues, waarin gesuggereerd wordt dat er van alles en nog wat gebeurt in het Vaticaan, waar de plaatselijke devoot geen brood van lust (‘Hiding, lurking, banking, things they do at night’).

De laatste track van kant drie is het titelnummer: All Things Must Pass. Uitgetest tijdens de Get Back/Let It Be sessies, maar het werd nooit wat. Ordebewaker nummer één Paul deed wel zijn best (dat hoor je duidelijk tijdens de sessieopnamen) maar het spoor liep dood. Op Anthology 3 (US no 1, UK 4) hoor je een demo van 25 februari 1969 en het staat als een huis. De grandioze versie op Early Takes Volume 1 uit 2012 (US no 20, UK no 66) is huiveringwekkend en geeft een indruk hoe het nummer geklonken zou kunnen hebben op het Let It Be album. George liet zich duidelijk inspireren door het werk van The Band en dat mag. Er zijn slechtere inspiratiebronnen denkbaar.

Het gitaarwerk is heerlijk.

I Dig Love is een niemendalletje, het doet geen vlieg kwaad, wellicht een uit de handen gelopen jam, maar toch, de track heeft iets onweerstaanbaars. Vanaf de eerste klanken word ik geboeid door het muzikale spel. George hield van woordspelletjes, ook hier: ‘I dig love, I love dig’. Ik kan me niet voorstellen dat hij de track anders gezien heeft. En het gitaarwerk is heerlijk. Ringo (die ook meespeelde) kon het niet laten de titel te parafraseren in zijn weemoedige George tribute Never Without You van het album Ringo Rama uit 2003 (US 113).

Art Of Dying en Isn’t It A Pity zijn eerder besproken. Dan komen we bij de causa finales: Hear Me Lord. Het is een herhalingsoefening van voorgaand werk, maar smaakvol en gedoseerd neergelegd. Het epische gedicht geeft mij ook altijd een gevoel van: als je het nu nog steeds niet snapt, zal je het nooit snappen. De boodschap is duidelijk. Het is George serieus. Er is geen weg terug.

De track komt binnen met drums uit de diepte en is een slepende song die de deur van de tempel waardig afsluit. Een meesterlijke krul. De song werd ook gespeeld tijdens het middagconcert van Bangla Desh op 1 augustus 1971 maar gek genoeg is die track nooit uitgebracht.

Tenslotte plaat drie: de jams. Wat moeten we daar over zeggen? Het was een bonus bij het album maar daar is alles mee gezegd. Het is helaas niet zo dat de jams een wezenlijke bijdrage leveren aan het totaalpakket. Net als mijn mededeling dat It’s Johnny’s Birthday en Plug Me In vanaf de re-release in 2001 naar voren werden geschoven als track een en twee van de jam (zoals het wellicht hoorde).

Yoko vroeg of George een verjaardag wens wilde inspreken voor John. Daar gaf George graag gehoor aan: It’s Johnny’s Birthday. Natuurlijk is het geen originele track, het is een vrije gedachte naar Congratulations van Cliff Richard, zijn bijdrage aan het Songfestival in 1968, waarmee hij toch mooi de tweede plaats wist te behalen. Het versie is op zich leuk, maar door de tempo wisselingen werkt het erg nerveus. Godzijdank is het binnen een minuut klaar. Ik vraag me af of het John ooit heeft bereikt. De auteurs van Congratulations (Martin en Coulster) waren er als de kippen bij om een rechtszaak aan te spannen tegen George’s versie van hun nummer. En die werd terecht gehonoreerd.

Plug Me In. Hier maakt George het ons wel moeilijk. Een marteling voor de oren. Muziek die je aan moordenaars laat horen om hun daad te bekennen. Jammer. Gelukkig zijn we na drie minuten verlost van deze ondefinieerbare herrie. Mij rest de vraag: why?

Geen paniek, vanaf daar wordt het alleen maar beter.

Gewoon een lekkere jam.

I Remember Jeep gaat over de hond van Eric Clapton. Nou ja, de titel dan, voor de rest is het een prettige uptempo voorzetting van geluiden. Zeker geen materiaal waar je een Hollywood Walk Of Fame ster voor zou krijgen. Maar het is ook niet slecht. Gewoon een lekkere jam. Ooit in een Spaanse kroeg gehoord op een slome zaterdagmiddag in Lloret De Mar eind jaren zeventig en toen klonk het na een aantal biertjes best wel aardig.

Thanks For The Pepperoni is een vijf minute durende Chuck Berry pastiche. Klink oké, doet niemand kwaad, maar meer ook niet.

Out Of The Blue komt met de deur in huis vallen en rammelt tien minuten door in verschillende tempo’s. Ook weer niet slecht. Voor de rest valt er weinig over te zeggen (dat vond George zelf ook, dus laten we het daar maar bij houden).

Even los van de filosofische inzichten en Harrisons ontluikende zelfbewustzijn: de geluidskwaliteit van het totaalpakket is super. Ooit had ik een vriend met boxen groter dan een tienjarig kind. Als hij songs als Wah-Wah, Art Of Dying of Let It Down opzette, trilde de hele kamer mee. Fantastisch. George produceerde het meesterwerk samen met Phil Spector; wellicht had hij het ook alleen afgekund, want met zijn productie werk voor Jackie Lomax, Doris Troy en de Radha Krishna Temple had hij al een proeve van bekwaamheid afgeleverd. In de years-to-come zou blijken hoe gekwalificeerd George was als producer.

George had de gun-factor, zoals we dat vandaag de dag noemen. Het album en de eerste single My Sweet Lord waren mega succesvol. Beide producten piekten op nummer een in Engeland en Amerika. All Things Must Pass ging in Amerika zes miljoen keer over de toonbank (genomineerd voor een Grammy in 1972) en werd door de muziekpers geprezen als een absoluut meesterwerk. Die iconische status heeft het veertig jaar na dato nog steeds.

De plaat is met geen ander te vergelijken, het is een bakoven vol creativiteit, een statement, een gewaagd project, een geheimzinnige tempel vol opmerkelijke kleuren, geuren en geluiden. Het eindresultaat is transparant: George wilde geen decorstuk meer zijn. Hij had zijn buurt verlaten en stapte uit de schaduwen. De sfinx sprak. Vol twijfel en onzekerheid. Maar dat was niet nodig. Hij ontsteeg zijn vrienden John en Paul. Dit album gaf hem een volkomen unieke identiteit, een status aparte, waar hij nimmer meer van los zou komen. Het is de stofwolken ontstegen en staat als een huis (tempel).

Nog even dit: het album wordt soms ook wel Georges Nemesis genoemd, zijn wraakgodin. Alles wat hij vanaf deze release zou doen werd vergeleken met zijn eersteling. De vergelijking was niet helemaal eerlijk (George nam met deze plaat namelijk geen rechtvaardige wraak maar toonde zichzelf in al zijn kwetsbaarheid en dat werd unaniem gewaardeerd). Herhaling van dit huzarenstukje was een schier onmogelijke opgave (hoewel Living In The Material World heel dichtbij kwam). Harrison moest zichzelf opnieuw uitvinden. En daar had hij tijd voor nodig. Het lukte hem in 1976 met het inventieve album Thirty-Three And One Third. Maar daarover later meer.

Wordt vervolgd: John Lennon/Plastic Ono Band van John Lennon

– Robin Raven 2018 –