APPELS EN PEREN

BFNL BFNL Columns, Then There Was Music

Howard Stern ontlokte hem in april 2020 tijdens een interview een antwoord op ‘dé vraag’. In de jaren zestig van de vorige eeuw was het een belangrijke vraag, of in ieder geval een belangrijk gemáákte vraag, maar tegenwoordig, ach, wie maalt er nog om. Maar goed, McCartney, die met het verstrijken van de jaren steeds meer liefdevolle interesse in zijn eigen Beatlesverleden krijgt, gaf dus antwoord: The Beatles waren een betere band dan The Rolling Stones.

In deze vergelijking worden twee bands tegenover elkaar gezet die niet te vergelijken zijn. The Stones hebben immers een bluesachtergrond en The Beatles zijn veel, maar zeker geen bluesband. Als een ‘wie is beter’-vergelijking in de muziek ooit zin zou hebben, zou je de vroege Stones tegenover The Yardbirds of The Bluesbreakers kunnen zetten en The Beatles tegenover bijvoorbeeld The Kinks. Daar is overigens wel een echte rivaliteit te vinden: Ray Davies als recensent, die vanwege een opmerking van Lennon, later Revolver neersabelde. Dat The Stones en The Beatles toch in een eeuwige vergelijking gevangen zitten komt enkel door de manager van eerstgenoemde band. Andrew Loog Oltham dacht namelijk dat hij zijn band makkelijker in de markt zou kunnen zetten als tegenover The Fab Four. ‘The Beatles just want to hold your Hand, but The Stones…’

Niemand zal naar Happy luisteren en naar adem happen vanwege de opvallende harmonisatie.

Dat Jagger en co hun wortels hebben in de blues bepaalt vooral hun vroege albums en vandaaruit in zekeren zin het latere werk. Vanaf Goatshead Soup hebben ze namelijk een formule gevonden waarop ze eindeloos en succesvol variëren. De blues is in essentie drie akkoordenmuziek. In een (herhalend) twaalfmatig schema wisselen deze drie akkoorden in een min of meer vaste volgorde. De songs die Jagger en Richards samen schrijven vinden hun wortels dus in muziek die het niet van zijn harmonische structuur moet hebben. Dat is geen diskwalificatie, maar gewoon een gegeven. Niemand zal naar Happy luisteren en naar adem happen vanwege de opvallende harmonisatie. Er klinkt eigenlijk enkel een afwisseling van een E-akkoord met een B-akkoord (twee van de drie akkoorden van een blues is E). De fascinatie zit hem hierbij meer in de klank van de gitaren en het weefsel dat deze gitaren (in een zogenaamde open stemming) samen creëren. Puur vakmatig analyserend valt er dus weinig te genieten, maar het album waarop Happy staat (Exile On Mainstreet) is één van mijn favoriete albums en Happy is dan weer één van de songs waar ik me elke keer weer op verheug.

The Beatles zouden nooit een album als Exile hebben kunnen maken, maar The Stones zouden nooit The White Album of Abbey Road of eigenlijk eender welk Beatlesalbum hebben kunnen maken. Het is echt een kwestie van appels met peren vergelijken. Als het om het harmonisch en melodisch handwerk gaat met betrekking tot het schrijven van songs, winnen Lennon en McCartney met vlag en wimpel. Over smaak kun je natuurlijk eindeloos discussiëren, maar dat is een zinloze bezigheid; je kunt beter naar muziek luisteren dan erover in discussie gaan. Dit artikel wil dan ook geen ‘mooier of minder mooi’-vergelijking zijn, maar puur een analytische observatie.

Vanuit de blues is het onvermijdelijk dat de Stones veel meer een improviserende band werden dan hun tegenhangers. Dé solo die ik altijd als voorbeeld gebruik tijdens mijn improvisatielessen is wat mij betreft Richards solo in Sympathy For The Devil: hét bewijs dat minder uiteindelijk meer is: je hoeft niet alles dicht te spelen voor een interessant geheel; je hoeft niet eindeloos veel noten te raken.

Dit is elke keer weer een kippenvel-solo voor mij. En als iemand die dát kan niet veel later tweede ‘viool’ gaat spelen tot nieuwkomer Mick Taylor; hoe goed moet deze junior dan wel niet zijn?

Een nummer ter illustratie van Taylors kunnen is Can’t You Hear Me Knocking. Ook weer: de perfecte opbouw, beginnend met een saxofoonsolo en later overgenomen door Taylors gitaarsolo. Prachtig hoe de gedachten zich ontvouwen vanuit bijna niets. Dat vind je bij The Beatles niet. Het idee van de spontane improvisatie is bij hen heel misschien te vinden in de solo van Taxman. McCartney ramt deze er naar verluidt in één keer uit nadat Harrison eindeloos heeft gezocht naar een ingang tot een solo. Harrison was meer de man van de vooraf geconstrueerde (kortere) solo’s. Als McCartney deze solo niet heeft voorbereid, maar ter plekke heeft bedacht in de tijd dat hij George zag worstelen, verdient dat nog meer respect dan hij toch al verdient voor deze complexe mengeling van stijlen. De combinatie van oosterse en westerse invloeden levert een bijna avantgardistisch bouwwerk op. George zou zich later met een zekere mate van genegenheid herinneren dat Paul de Indische elementen als ‘cadeautje’ voor hem had ingepast.

Harrison heeft voorbereidingstijd nodig om tot fraaie solo’s te komen. Al vroeg komt hij op de proppen met de prachtig uitgebalanceerde solo voor All My Loving. Vanaf 1968, als hij merkt dat hij de sitar nooit echt zal leren bespelen en hij meer tijd aan de gitaar gaat besteden, komt hij tot wonderschone solo’s als die in Something. Muzikale perfectie, maar totaal niet te vergelijken met de perfectie van is Can’t You Hear Me Knocking Knocking of Sympathy For The Devil. Constructie tegenover improvisatie.
Harrisons solo’s worden veel meer een geïntegreerd onderdeel van de song; de solo van Devil is bij elk concert een andere. Daarbij wordt alleen gebruik gemaakt van de kernmomenten als instap voor de verschillende delen. Ik moet de eerste live gespeelde solo nog horen die ook maar bij benadering de perfectie van de albumsolo bereikt. Sommige solo’s op livealbums zijn ontegenzeglijk spectaculairder of spannender, maar ze benaderen nooit de sublieme opbouw en invulling van de solo op Beggars Banquet.

Door het verschil in de benadering van de solo’s houdt McCartney tijdens zijn liveoptredens (bijna) altijd vast aan de solo zoals deze op het album staat en improviseren de Stones er elke avond weer lustig op los. McCartney week alleen af van de bestaande solo’s toen hij in 1989 zijn Beatlesrepertoire herontdekte en voor het eerst het grootste deel van zijn concert vulde met Fab Four-materiaal. Overigens denkt Paul ook dat hij het publiek zou teleurstellen als hij zich niet aan de albumversie houdt. Dat idee vindt zijn oorsprong in een negatieve concertervaring in zijn jeugd.

The Beatles heb ik veel eerder leren kennen dan The Rolling Stones. Dat zal ongetwijfeld meespelen bij mijn voorkeur voor The Beatles. Muzikale smaak wordt immers voor een groot deel bepaald door de ervaringen uit je jeugd. Maar los daarvan: het harmonisch/melodische bouwwerk dat Lennon en McCartney in de jaren zestig samen optrokken blijft voor mij toch oneindig veel fascinerender dan welk werk van eender welke groep ook. Dat neemt niet weg dat ik blij ben dat ook alles van The Stones in mijn platenkast staat. Beatles en Stones staan keurig naast elkaar en dat gaat prima. Er is, niet alleen in mijn platenkast, ruimte genoeg voor beide geweldige bands.

– Ton Steintjes –